Tijdens het onderzoek probeert de acupuncturist achter de oorzaak van de klachten te komen. Bij het vaststellen van de diagnose in de acupunctuur zien we een paar duidelijke accentverschillen t.o.v. de westerse methode.

 
 

Zo worden in de anamnese veel vragen gesteld, die ogenschijnlijk weinig met de eigenlijke klacht van doen hebben, maar die een beeld moeten geven over het algehele (Qi) beeld van de patiënt. Ook is er meer aandacht voor b.v. de kleur van huid of gezicht of de vorm en conditie van de nagels.

Belangrijk is ook de polsdiagnose.

Door de pols bij het polsgewricht met drie vingers te voelen probeert de acupuncturist door het beoordelen van kracht, vorm, de spanning, breedte, diepte en de snelheid een indruk van de energietoestand te krijgen. Ook verschil tussen de drie posities en links rechtsverschil geven een idee.

Op de tong is ook veel informatie te zien; vorm, kleur, vochtigheid en dikte en kleur van tongbeslag.

 

Al deze symptomen geven een indicatie, die dan verder door vragen stellen weer uitgezocht moet worden.

De reden waarom veel meer op deze symptomen gelet wordt zit in het feit, dat in de tijd dat de acupunctuur ontwikkeld is (en ook nu nog in arme streken van China) er geen andere mogelijkheden waren, zoals röntgenfoto’s, bloedonderzoek, echo, CT-scan enz.

Als de diagnose gesteld is en er zijn behandelbare klachten gevonden, dan volgt de behandeling.